De canon

Foto: Laura Kapfer

Een website met de naam ‘klassiekers in de klas’ kan niet om het begrip canon heen. In verschillende blogartikelen kwam dit begrip dan ook langs, soms in verschillende betekenissen. Daarom hier wat opheldering. Je kunt op twee manieren naar de canon kijken. Vanuit functionalistisch perspectief is het een term die aangeeft welke teksten er gelezen worden. Er komt geen waardeoordeel aan te pas; het is puur een beschrijving van de status quo. In de werkvorm de canon van de klas gebruik ik het begrip op deze manier. Ik verwijs met de term ‘canon’ naar het gedeelde referentiekader van de leerlingen uit een bepaalde klas. Welke boeken hebben de meeste leerlingen gelezen? Ik vind het zelf erg nuttig om dit gedeelde referentiekader aan het begin van het schooljaar in beeld te krijgen.


De canon van Nederland

In de klassieke definitie van het begrip canon gaat het wel degelijk om een waardeoordeel. Van Dale definieert de canon als ‘de werken die als belangrijk worden erkend’ en die ‘iedereen zou moeten kennen.’ De Nederlandse situatie met betrekking tot de canon is bijzonder. Nederland heeft geen literaire canon. Er is wel een historische canon, ‘de canon van Nederland’ waar ook teksten (bijv. Max Havelaar) en auteurs (bijv. Annie M.G. Schmidt) in opgenomen zijn. Onze zuiderburen hebben in 2015 een canon van de Nederlandstalige literatuur samengesteld, een lijst van 50 titels + 1 open plek voor de blinde vlek, die iedere vijf jaar vernieuwd wordt. Op de website zijn ook mooie onderwijsmaterialen te vinden. We hebben (nog?) geen internationale taalgebiedscanon.


De impliciete norm

Ondanks de afwezigheid van een officiële literaire canon kun je wel spreken van een impliciete norm. In 2002 onderzocht de dbnl welke teksten en auteurs tot de canon behoren volgens (bijna 1500) leden van de Maatschappij der Nederlandse letteren. Het onderzoek resulteerde in een niet al te zeer verrassende ranglijst:

Jeroen Dera onderzocht de leeslijsten van bovenbouwleerlingen havo en vwo. De meestgelezen auteurs zijn dezelfde usual suspects, Wolkers, Hermans, Mulisch, Krabbe. Vrouwen, Vlaamse auteurs en auteurs met een niet-westerse achtergrond zijn minder of ondervertegenwoordigd. Het is deze impliciete canon die onder vuur ligt. Het collectief Fixdit.nu pleit voor een inclusieve canon waarin de veelstemmigheid van de Nederlandse literatuur tot zijn recht komt. De podcast Vondel was een vrouw en de groslijst lhbti-literatuur hebben een vergelijkbaar doel. Ook Jeroen Dera ziet heil in een inclusievere canon. Hij citeert met instemming de Amerikaanse hoogleraar Lee Galda die stelt dat literatuur in het onderwijs zowel spiegel als venster is. Je kunt je eigen perspectief herkennen in de boeken die je leest, maar je kunt ook je blikveld verruimen door met andere culturen en gezichtspunten in aanraking te komen.

Van canon naar netwerk

Foto: Omar Flores

Het dbnl-onderzoek naar de canon sloot af met een aantal conclusies. Ik citeer er twee. De auteurs concluderen dat de aandacht voor de klassieken in onderwijs en media sterk te wensen overlaat, en dat de appreciatie van het Nederlandse literaire erfgoed in een impasse verkeert. Dit is een van mijn redenen om dit blog te beginnen. In het huidige paradigma waarin ervaringsgericht literatuuronderwijs centraal staat is het niet de meest voor de hand liggende keuze om te focussen op canonieke teksten. Literatuur, in de onderbouw: fictie, wordt nadrukkelijk als plezierige vorm van vermaak gedefinieerd. Literatuur als cultureel erfgoed heeft geen plek in het curriculum van de onderbouw. Nu ben ik groot fan van ervaringsgericht onderwijs. Het referentiekader van de klas is het uitgangspunt van mijn lessen. Maar ik zie geen onoverkomelijke tegenstelling tussen een cultuuroverdrachtelijk doel en een op de persoonlijke leeservaring gerichte les. Leerlingen zouden in de eerste plaats veel meer moeten lezen, en veel diverser. Met een goede selectie aan teksten met een overkoepelend thema kom je al een heel eind. In de masterclass ‘De verleiding van lezen en Mariken van Nieumeghen’ presenteren Theo Witte en ik een lessenserie waarin thematisch lezen centraal staat.

Via een werkvorm als themalezen creëer je met de klas een netwerk aan teksten die aan betekenis winnen door ze gezamenlijk te bekijken. Op deze manier kun je ook naar de canon kijken: als een web van teksten die met elkaar in verbinding staan. Andre Mottard schrijft in een Tsjip-editie die aan de canon gewijd is, dat de canon meer is dan een vaste verzameling teksten. De canon is een dynamisch proces. Canonteksten ontlenen hun status en hun complexiteit aan interpretaties en transformaties van lezers.

Deze interpretaties bepalen de constellatie die de canon aanneemt in een bepaald tijdvak. In onze tijd kijken we met de bril van de identiteitspolitiek naar de Nederlandse canon, vertelt professor Yra van Dijk in een podcast van de universiteit Leiden. Dankzij dit perspectief zijn de boeken van auteurs als Andreas Burnier en Hilde Dillen prominenter aanwezig in onze huidige canonconstellatie. De vraag naar de top-10, top-50 of top-100 is minder belangrijk in een netwerkbenadering; het gaat om de route die je bewandelt. Literatuurgeschiedenis.org fungeert op deze manier als route door het enorme archief van de dbnl. Door op deze manier met canonteksten te werken, creëer je geen galerij der groten waar leerlingen ontzag voor moeten hebben. Het gaat niet om cultuuroverdracht maar om cultuuronderzoek. Leerlingen worden uitgenodigd deel te nemen aan het gesprek dat op gang gebracht wordt door de intertekstuele relaties tussen teksten. Tegelijkertijd werk je natuurlijk ook aan hun culturele geletterdheid en daarmee aan hun culturele kapitaal. Mottard schrijft in het eerder geciteerde artikel, dat ze, door op deze manier met canonteksten te werken, ‘in het middelpunt staan van de gedeelde kennis die cultureel geletterden gebruiken.’


Ervaringsgericht en cultuurgericht literatuuronderwijs

De Duitse filosoof en historicus Philip Blom (2020, blz. 32) beschrijft in zijn essay Het grote wereldtoneel op welke manier je persoonlijke geschiedenis zicht verhoudt tot de grotere verhalen die de culturele context vormen waarbinnen je opgroeit. Alle verhalen komen voort uit ‘een repertoire van beelden die in de cultuur en literatuur voorhanden zijn’. In The Ethics of Storytelling (2017, p.11) gebruikt professor Hanna Meretoja de term ‘narratieve geworpenheid’ (mijn vertaling) voor deze situatie. We worden geboren in een set van culturele verhalen waarvan we moeten zien te ontdekken wat ze betekenen en wat onze relatie tot die verhalen is. Daarom staat cultuuroverdracht niet op gespannen voet met een literatuuronderwijs dat de persoonlijke leeservaring en ontwikkeling van leerlingen centraal stelt. Leerlingen doen zelfkennis op door zich bewust te worden van de verhalen waarmee ze opgroeien. Hoe verhouden zij zich tot deze verhalen? Daar zou het om moeten gaan in de klas.

Mariken lezen met havo 2

Kun je met tweedeklassers een (fragment van) een tekst van zo’n vijfhonderd jaar geleden lezen in zijn oorspronkelijke vorm? Gaat dit niet ten koste van de o zo belangrijke leesmotivatie? Ik nam de proef op de som met mijn parallelklassen havo 2. 50% (!) vond het leuk om zo’n oude tekst samen te lezen, 35% vond het leuk om zelf een fragment te hertalen. Hertalen is dus niet aan iedereen besteed, voor historische letterkunde is de halve klas te interesseren.

Reden genoeg om dit vaker te doen. Een verantwoording van de lessenserie inclusief lesplan en links naar bronnen is te vinden onder het kopje lesmaterialen.

Een greep uit de vragen van leerlingen: Voor wie is dit geschreven? De meeste mensen konden toch niet lezen in de Middeleeuwen? Waar gaat Mariken heen als haar tante haar wegstuurt? Waarom laat ze zich door zo’n lelijke duivel verleiden? Waarom wil de duivel haar? Hoe loopt het af?

De vrouwen die Shakespeare verdedigden: reactie op de derde aflevering van Vondel was een vrouw

In de derde aflevering van de podcast Vondel was een vrouw (aanrader!) , staat de Nederlandse auteur Margaretha van der Werken (1734-1796) centraal. Ze schreef de eerste Nederlandse briefroman, die weinig eigentijdse lezers nog kennen, maar die in haar eigen tijd zeer populair was; De kleine Grandisson. (Klinkt als een leuk tekst om eens met de leerlingen mee aan de slag te gaan). Daarnaast vertaalde ze Shakespeares toneelstukken naar het Nederlands, waarbij ze niet schroomde om de brontekst naar eigen inzicht aan te passen.

Voor ons is dit een vorm van heiligschennis. Kom niet aan Shakespeare, je snijdt ook niet zomaar in een Rembrandt. ‘Shakespeare stond nog niet op een voetstuk,’ verklaart Feike Dietz, die te gast was in de podcast, deze praktijk. Het aanpassen en verbeteren van Shakespeare was een achttiende-eeuwse hobby. Er waren collecties van ‘The beauties of Shakespeare’ en zelfs een familie-editie, ‘The family Shakespeare,’ zonder vieze grapjes vanwege de kleine meelezers.

Misschien nog wel opmerkelijker is de vergeten geschiedenis van de vrouwelijke auteurs en critici die Shakespeare op een voetstuk gezet hebben. Ik schreef er acht jaar geleden mijn  masterscriptie over. Dit lijkt me een relevante context voor een podcast met een agenda: vergeten vrouwelijke auteurs uit de canon voor het voetlicht brengen. Het eerste literatuurwetenschappelijke essay over Shakespeare werd geschreven door een vrouw: Margareth Cavendish in 1664 (zie: Thompson & Roberts, 1997, p.3). Vrouwelijke critici waren oververtegenwoordigd onder de eerste verdedigers van Shakespeare. Volgens de auteurs van Women reading Shakespeare was dit geen toeval: vrouwen identificeerden zich met Shakespeare, die in de achttiende eeuw de reputatie had een ongeletterd genie te zijn. Men veronderstelde dat Shakespeare geen scholing in de klassieke talen genoten had. Zijn auteurschap ontsproot aan een natuurlijke gave en daarom was het discutabel of hij bewuste creatieve keuzes maakte of simpelweg noteerde wat zijn woeste verbeeldingskracht hem ingaf.

Vrouwen hadden destijds (over het algemeen) geen toegang tot klassieke scholing maar konden zich wel als critici profileren door te schrijven over literatuur in hun moedertaal. Terry Castle (2002) ontwaart een feministische onderstroom in de vrouwelijke verdediging van de Engelse bard. Ze analyseerde talloze door vrouwen geschreven pleidooien die de grootsheid van Shakespeares werken benadrukken, ondanks zijn gebrekkige scholing. Castle ziet hier een impliciete verdediging van hun eigen auteurschap in, zij waren zelf immers ook niet geschoold in Latijn en Grieks en de dramatische eenheden van Aristoteles. Desondanks konden ze zich profileren in het publieke debat als denkers en schrijvers, via de ingang die de Shakespearekritiek ze bood.

Shakespeare speelde zodoende een belangrijke rol in de emancipatie van vrouwelijke denkers als experts op het gebied van de literatuur in hun moedertaal, en vrouwelijke critici als Elizabeth Montagu droegen bij aan de conceptualisering van de canon als nationale aangelegenheid, waarbij kennis van de moedertaal een vereiste werd om een literair werk te kunnen (of mogen) beoordelen. Ondanks de grote aantallen vrouwelijke critici  die over Shakespeare schreven in de achttiende eeuw worden ze in hedendaagse compendiums van de literaire kritiek niet of nauwelijks genoemd…

Wat heeft dit met het literatuuronderwijs in de onderbouw te maken? Naar mijn mening: alles. Dit soort verhalen – over de canon, over de criteria waarmee we een literaire tekst beoordelen en hoe relatief die zijn, over nationalisme, over de manier waarop een minderheidsgroep zich een plek verwerft in het publieke debat – dit zijn allemaal relevante inzichten die bijdragen aan een  beginnend literair-historisch bewustzijn.

Bovendien zijn het goede verhalen. Vraag een scholier wie de grootse schrijver aller tijden is en ze zeggen gegarandeerd Shakespeare. Op de school waar ik werk leren bovenbouwleerlingen monologen uit Hamlet en Macbeth uit hun hoofd, Shakespeare is geen onbekende voor ze. Is het niet fascinerend om je te bedenken dat zelfs de prototypische literaire grootheid in de achttiende eeuw alleen in verbeterde versies of compendiums gelezen werd? Dat er verdedigers nodig waren om het grote publiek te overtuigen van Shakespeares talent? En dat die verdedigers vaak vrouwen waren?

Wat de Nederlandse canon betreft, schrijverscollectief Fixdit.nu breekt een lans voor meer diversiteit in de canon. Voordat de discussie over identiteitspolitiek weer losbarst, moeten we misschien eerst eens op zoek gaan naar al die auteurs die er altijd al waren, die hun stempel achtergelaten hebben op de canon zoals we die kennen, die nieuwe genres introduceerden in Nederland en die ervoor zorgden dat we Shakespeare nu nog steeds lezen.