Boekgesprekken begeleiden

Onderbouwleerlingen aan het praten krijgen over boeken kan best wel een uitdaging zijn. Maar het is de moeite waard omdat het leerlingen veel oplevert: betrokkenheid, verbondenheid, groei in literaire competentie, leesplezier. In dit blogartikel deel ik mijn ervaringen en link ik naar externe bronnen over het voeren van boekgesprekken op basis van de didactiek van Chambers.

Dit artikel is een herziening van een oudere blogpost over boekgesprekken in de online les. Ik heb inmiddels meer ervaring en ben op sommige punten van mening veranderd. Vandaar deze update.

Chambersdidactiek

Een paar misverstanden over de Chambersdidactiek: Een boekgesprek is geen ‘vragenspel’ waarin leerlingen alles mogen zeggen. Het is juist een heel doordachte didactische opzet, waarbij een ervaren lezer (de docent/helpende volwassene) leerlingen helpt om hun leeservaringen te verwoorden. Leerlingen worden gestimuleerd om hun ervaringen te delen, maar de docent laat ze zien hoe je met en over boeken kunt praten. Een van de manieren die Chambers hiervoor aanreikt, is het steeds terugverwijzen naar de tekst, door leerlingen te vragen: ‘hoe weet je dat?’ Hiermee stimuleer je leerlingen om te redeneren vanuit de tekst (en niet zomaar wat te roepen).

Het docentontwikkelteam ‘Praten over literatuur’ heeft een richtlijn opgesteld voor boekgesprekken in de onderbouw. De auteurs adviseren docenten om leerlingen vertrouwd te maken met het praten over lezen. Leerlingen in de onderbouw moeten ervan bewust gemaakt worden dat het stellen van vragen bij een tekst en het luisteren naar de vragen en interpretaties van medeleerlingen ‘een waardevolle en legitieme wijze is’ van het interpreteren van teksten. Daar wil ik aan toevoegen dat het ook een ontdekking kan zijn hoe anders je leest, als je samen leest. De meerduidigheid van een literaire tekst komt veel beter tot zijn recht in deze context. Niet voor niks stelt Chambers dat lezen een sociale activiteit is.

Hele boeken uitlezen

Ik probeer in al mijn klassen minstens een keer per jaar een fictieproject te doen: samen een heel boek uitlezen en erover praten tijdens de les. Ik trek hier zes weken voor uit omdat dit de uitleentermijn van klassensets is. Wanneer ik drie wekelijkse lesuren heb met een klas, besteed ik een van deze lesuren volledig aan fictie (idealiter de vrijdag: fictievrijdag, de leukste lesdag van de week). Leerlingen krijgen leestijd in de les maar ik werk ook met wekelijkse leesdoelen: lees minimaal t/m p xx. Deze tip van het docentontwikkelteam ‘Praten over literatuur’ werkt in de praktijk heel erg goed. Het uitlezen van een volledig boek kan een enorme opgave zijn voor onervaren lezers. Maar wekelijks een x aantal bladzijden lezen (en de vorderingen vieren) helpt enorm. Vooruitlezen mag, maar spoilers zijn verboden.

In de eerste les introduceer ik het boek. We bekijken de cover, lezen samen het eerste hoofdstuk en leerlingen noteren hun verwachtingen. De daaropvolgende les bespreken ze in kleine groepjes hun eerste indrukken. Ik loop rond en praat en luister mee, en let op welke leerlingen lastiger meekomen. Motiveren om mee te doen is mijn doel, niet dwingen en controleren. Ik geef daarom ook geen boektoetsen. In week 3 volgt het eerste ‘echte’ boekgesprek. Ik gebruik hier een placemat voor, waarop leerlingen de ‘Chambersvragen’ eerst in kleine groepjes voorbespreken en notities maken. Vervolgens kom ik hier klassikaal op terug en laat ik alle groepjes aan het woord. Ik vraag door naar dingen die mij opvielen in de groepsbesprekingen en laat zien dat verschillende lezers op hun eigen manieren lezen. Soms kunnen leerlingen heel erg treffende dingen zeggen over een boek, zonder dat ze zelf doorhebben dat ze aan het analyseren zijn. Dit soort opmerkingen verdienen het om gevierd te worden in de les, zodat creatief lezen ook iets is waar je bij Nederlands in kunt uitblinken. In de drie lessen die dan nog over zijn schrijven we over het boek, wisselen ervaringen uit, komen we terug op eerdere opmerkingen. Ik sluit altijd af met het schrijven van een korte leesreflectie.

Tips

Kies een vorm en houd je eraan. Bijvoorbeeld: zes weken, zes lessen, in de laatste les is het boek uitgelezen. Wanneer ik leesdoelen verplaats of wanneer er fictielessen uitvallen, heeft dat meteen invloed op de doorgaande lijn. Het is het prettigst om niet te veel tijd te laten zitten tussen lees- en bespreekmomenten. Anders heeft de halve klas het boek al uit en zijn de zwakkere lezers afgehaakt.

Kies een tekst die interessant/vreemd/bijzonder genoeg is om klassikaal te bespreken. Dit moet dus een boek zijn dat uitdagender is dan de boeken die leerlingen individueel lezen. Anders valt er weinig te antwoorden op de vraag: wat vond je moeilijk? of wat valt je op?

Historische teksten lenen zich om deze reden heel goed voor klassikale leesprojecten. Omdat het uitgangspunt is dat het een vreemde en heel oude tekst is, voelen leerlingen zich vrij om vragen te stellen en te verwoorden wat ze niet begrijpen. Want hoe creëer je een veilig leerklimaat als alles precies toegesneden is op het niveau van de leerling? Durf dan maar eens te delen wat je lastig vindt of niet snapt.

Voorbeeld van leesnotities. Deze leerling lette vooral op het beeldende taalgebruik van Anna Woltz in Alaska

Laat leerlingen leesnotities maken. Dit kan heel kort een citaat/paginanummer zijn, bij passages die ze opvallend, leuk, of mooi en onduidelijk vinden. Ook een tip van het docentontwikkelteam. Dit kweekt opmerkzame lezers en biedt handvatten bij de boekgesprekken in de les.

Kies voor motiveren, niet voor controleren. Niet iedere leerling zal alles lezen. Het zij zo. Boeken zijn niet gemaakt om toetsen over af te nemen of gedwongen te lezen. In mijn ervaring leest de overgrote meerderheid mee, omdat je de boot mist wanneer je niet mee kunt praten.

Zorg dat de werkvormen (placemat, voorbespreken in kleine groepjes) individuele betrokkenheid vragen en wees zelf niet te sturend aanwezig. Probeer eerst de reacties van leerlingen uit te lokken, en vraag daar vervolgens op door. Hierin wijk ik af van het docentontwikkelteam, dat aanraadt met vragen en stellingen te werken. Die kun je mijns inziens beter achter de hand houden wanneer het gesprek niet op gang komt. Maar wacht eerst af waar leerlingen zelf mee komen.

Voorbeeld van een placemat: notities van vier brugklasleerlingen over Alaska (Anna Woltz)

Online materiaal

Veel scholen hebben geen beschikking over klassensets of zelfs geen mediatheek. Wanneer een boek beschikbaar is op de online bibliotheek en op Passendlezen.nl kunnen leerlingen het e-book of luisterboek in de meeste gevallen gratis lezen.

Op Bulkboek online zijn verschillende historische teksten integraal te lezen. Ik ga volgend jaar bijvoorbeeld met de bulkboekeditie van De reis van Sint Brandaan aan de slag, in de hertaling van Willem Wilmink. En vergeet ook de DBNL niet, al kan het even zoeken zijn omdat er zo enorm veel op staat.

Als je op zoek bent naar verdiepende vragen voor achter de hand, kijk dan eens bij het boekenclubaanbod op Litlab.nl, of de ‘stof tot nadenken’ en de opdrachten van verschillende niveaus op de website van de Jeugdbibliotheek.

Zelf las ik dit jaar onder meer de Reinaert (in de rapversie van Charlie May), Hoe mooi wit ik ben (Dolf Verroen) en Alaska van Anna Woltz met verschillende klassen. Volgend jaar op de planning? Mary Dorna’s Laten we vader eruitgooien, Brandaan, dus, en verder ben ik nog zoekende..

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *