Wat is een klassieker?

Foto: Ricardo Cruz

Het begrip ‘klassieker’ is natuurlijk al eerder langsgekomen op dit blog. Ik baseer mijn definitie van klassiekers als de teksten die we herlezen, op (onder meer) Calvino en Damrosch. David Damrosch betoogt in zijn boek over wereldliteratuur dat bepaalde teksten aan betekenis winnen in de interactie met een nieuw leespubliek (en een andere culturele context). Dit heeft niet uitsluitend met onze leespraktijken te maken maar ook met eigenschappen van de tekst zelf. Niet alle teksten lenen zich hiertoe. Tegelijkertijd vind ik het mooi om de rol van de lezers te benadrukken, er zijn natuurlijk altijd teksten met veel potentieel die om buitentekstelijke redenen niet gelezen worden. Zie ook mijn stuk over Shakespeaere en de vrouwen die hem op een voetstuk gezet hebben.

In de animatie over Mariken van Nieumeghen leg ik in leerlingentaal uit wat dit begrip betekent. Maar je kunt leerlingen natuurlijk ook zelf laten ontdekken hoe teksten voortleven in verschillende versies, kortom, wat een klassieker is. Susan Beckers, lerarenopleider aan Fontys hogeschool in Sittard, ontwierp een les over Koning Arthur waarin deze vraag centraal staat.

Verschillende versies van Koning Arthur

De les heeft als titel: Aan de slag met klassiekers: verschillende versies van Koning Arthur. Leerlingen gaan na het klassikaal lezen van (bijvoorbeeld) Koning Arthur van Jaap ter Haar in groepjes aan de slag met verschillende versies van dit verhaal. Ze gaan de verschillende versies met elkaar vergelijken. Beckers raadt aan om naar een specifieke scene te kijken, zodat leerlingen fragmenten kunnen lezen en bekijken. Leerlingen ontdekken tijdens deze les dat er verhalen zijn die al eeuwenlang in verschillende versies circuleren. Doordat ze verschillende bewerkingen vergelijken (boeken/strips/films/series) komt de relatie tussen de verschijningsvorm en de betekenis ook aan bod. Daarnaast zullen leerlingen ervaren dat iedere tijd zijn eigen visie op Koning Arthur heeft. Ik merk in mijn eigen lessen, dat dit dingen zijn die leerlingen interesseren. Hoe teksten circuleren, welke verhalen we blijven vertellen, en waarom.

Ik kwam deze les pas op het spoor nadat ik mijn eigen Marikenlessen al gegeven had. Volgend schooljaar zal ik eerst deze Arthurles geven. Er zit dan een mooie opbouw in. Eerst ontdekken wat een klassieker is via de werkvorm rondom Koning Arthur. Vervolgens dit begrip herhalen aan de hand van de receptiegeschiedenis van Mariken van Nieumeghen.

Varianten

Er zijn natuurlijk allerlei varianten mogelijk. Er zijn veel verschillende bewerkingen van Beatrijs, waaronder een jeugdboek van Agave Kruijssen. Voor het gebruik in de klas is het bovendien erg fijn dat er ook een Bulkboek van Beatrijs beschikbaar is, in de vertaling van Willem Wilmink. Van zowel Beatrijs als Koning Arthur zijn bovendien korte youtubefragmenten te vinden uit de MOOC Middelnederlands. Prachtig materiaal dat ook toegankelijk is voor jongere scholieren. Reinaert de Vos kom je ook in allerlei gedaantes tegen, bijvoorbeeld als rap of als Suske en Wiske-album. Beckers noemt ook ‘de kleine zeemeermin’ van Hans Christiaan Andersen. Deze tekst kun je mooi combineren met de Disney-versie en Annet Schaaps Lampje. En misschien ook met de Lelijke kleine zeemeermincyclus van Johanna Pas. De kennis van het sprookje in de versie van Andersen en het lezen van Lampje kunnen een opstapje vormen om de gedichten van Pas te kunnen lezen. Pas citeert op haar beurt ‘de kleine zeemeermin’ van Vasalis. Zo ontstaat er een rijk netwerk van teksten die aan betekenis winnen door ze naast elkaar te leggen. En het is helemaal niet verkeerd om nu al een beetje aan namedropping te doen (Vasalis). Zodat leerlingen weten wat er te lezen valt als ze in de bovenbouw hun leeslijst samenstellen. Naar mijn idee is de eenvormigheid van de leeslijsten deels te wijten aan het beperkte aanbod in de onderbouw.

Jeugdliteratuur en didactiek

Het volledig uitgewerkte lesplan van Susan Beckers is opgenomen in Jeugdliteratuur en didactiek. Een praktisch en inspirerend handboek voor docenten die met jeugdliteratuur werken in het voortgezet onderwijs en het mbo.

De rijmende robot: Tonke Dragt en Paul van Ostaijen

Kun je met tweedeklassers al over canonieke dichters praten? Zonder ‘over hun hoofden’ te praten en zonder dat het ten koste gaat van het plezier in de les? Ja, dat kan! Enkele weken geleden was professor Geert Buelens op digitaal lesbezoek bij een van mijn klassen. Zijn gastles over Paul van Ostaijen was een feestje voor alle betrokkenen. Een verslag van dit lesbezoek is hier terug te lezen.

Naar aanleiding van deze les heb ik samen met grafisch ontwerpers Gerda Lenstra, Bart Lenstra en podcastmaker Allard Amelink een korte animatie gemaakt over Paul van Ostaijen. In de hoop dat andere onderbouwleerlingen ook kennis kunnen maken met zijn werk. In de animatie wordt Van Ostaijen geïntroduceerd door een personage van Tonke Dragt; Robot Bob, die we tegenkomen in het kortverhaal ‘De robot van de rommelmarkt’ (opgenomen in Als de sterren zingen) en in Torenhoog en mijlen breed. Deze robot draagt ook daadwerkelijk gedichten voor, onder meer van R.L. Stevenson. Tonke Dragt introduceert haar jonge lezers ook met het werk van Van Ostaijen in Torenhoog en mijlen breed. De bibliothecarisrobot doet hoofdpersoon Edu de suggestie om een bundel van Van Ostaijen te lezen. (Net zoals de chatbot Puck, die weet wat jij graag leest, een recente innovatie om de ontlezing tegen te gaan. Tonke Dragt verzon dit al in 1969).

In de animatie en de bijbehorende lesbrief komen ook vragen over de canon en ons culturele geheugen aan bod. Welke gedichten willen we bewaren? Hoe zorgen we ervoor dat we ze over honderd jaar nog steeds kunnen lezen of ernaar kunnen luisteren? Kunnen we dit overlaten aan robots?

De animatie kwam tot stand met steun van de Taalunie en is voorzien van een lesbrief, die op de avant-gardepagina van Literatuurgeschiedenis.org te downloaden is.

Mariken lezen met havo 2

Kun je met tweedeklassers een (fragment van) een tekst van zo’n vijfhonderd jaar geleden lezen in zijn oorspronkelijke vorm? Gaat dit niet ten koste van de o zo belangrijke leesmotivatie? Ik nam de proef op de som met mijn parallelklassen havo 2. 50% (!) vond het leuk om zo’n oude tekst samen te lezen, 35% vond het leuk om zelf een fragment te hertalen. Hertalen is dus niet aan iedereen besteed, voor historische letterkunde is de halve klas te interesseren.

Reden genoeg om dit vaker te doen. Een verantwoording van de lessenserie inclusief lesplan en links naar bronnen is te vinden onder het kopje lesmaterialen.

Een greep uit de vragen van leerlingen: Voor wie is dit geschreven? De meeste mensen konden toch niet lezen in de Middeleeuwen? Waar gaat Mariken heen als haar tante haar wegstuurt? Waarom laat ze zich door zo’n lelijke duivel verleiden? Waarom wil de duivel haar? Hoe loopt het af?

Waarom klassiekers in de klas?

In ons huidige literatuuronderwijs in de onderbouw is geen plaats voor historische letterkunde. Het is vooral gericht op teksten die aansluiten bij de belevingswereld van jongeren. Zelfs in het in de onderbouw gehanteerde begrip ‘fictie’ komt de erfgoeddimensie van literatuur geheel niet aan bod. Fictie wordt gedefinieerd als tegenovergestelde van non-fictie, als verzonnen in plaats van feitelijk. Los van het feit dat dit literatuurwetenschappelijk gezien een twijfelachtig onderscheid is, wordt er geen positieve invulling aan het begrip fictie gegeven. Je leert alleen wat het niet is. Wat is fictie dan wel? Wat heeft het lezen van fictieve teksten je te bieden?

Bovendien ontbreekt het aan aansprekende vakinhoudelijke teksten. Laat staan oudere teksten. Waarom zou je versimpelde teksten uit populairwetenschappelijke tijdschriften met je klas willen lezen (het standaardaanbod in lesmethodes), als je de hele Digitale bibliotheek voor de Nederlandse letteren tot je beschikking hebt? Concluderen we niet te snel, dat leerlingen bepaalde teksten niet aankunnen of niet interessant vinden? Is school niet juist de plek waar leerlingen in aanraking zouden moeten komen met een bredere horizon dan de eigen ervaring?

Dit blog is een werk in uitvoering. Ik beschrijf mijn ervaringen met het lezen van en praten over canonieke teksten in de klas. Daarnaast wil ik linken naar interessant lesmateriaal van andere docenten die literaire teksten behandelen in de onderbouw. Onder het kopje tijdlijn is een overzicht te vinden van het tot nu toe verzamelde lesmateriaal.