Lockdownlezen (ii): Een overleg dat ergens toe leidt

Het was tijd voor de eerste lessen waarin een boekgesprek gepland stond. Ik had een leesdoel opgegeven. Sommige leerlingen hadden het boek al uit, anderen moesten nog beginnen. Zo gaat dat vaak met klassikaal lezen. Meestal leest het merendeel uiteindelijk mee. Ik was van plan niet te veel sturing te bieden en vooral ruimte te geven aan hun eigen vragen en interpretaties. Voor de zekerheid had ik vragen en stellingen achter de hand. Ik had ook nog bedacht om de klassen in vier groepjes te verdelen in Teams, en dan zelf steeds van groepje naar groepje te hoppen. Ik kon zodoende de verschillende gesprekken bijwonen, maar ik liet de leerlingen ook notities maken van hun gesprek. Aan het einde van de les kwamen we weer terug in een gezamenlijke vergadering en was het de bedoeling samen terug te blikken op de groepsgesprekken. Dit bleek wat veel voor een online les van 30 minuten. We besloten om de volgende keer gewoon klassikaal een gesprek te voeren. Ik las achteraf in de gespreksverslagen welke dingen ze besproken hadden.

Torenhoog en mijlenbreed

Uit de gespreksverslagen van de klas bleek dat er technische problemen waren en gesprekken die moeizaam op gang kwamen. Anderen hadden een uitgebreid gesprek gehad, ieders ervaring tot nu toe genoteerd en kort samengevat wat de overeenkomsten waren. Soms moest ik hardop lachen om de notulen:

M. heeft het boek wel alleen nog niet gelezen, hij zij dat ik moest opschrijven dat er teveel blz. in zitten en dat hij het wel gelezen heeft.

De klas die Torenhoog leest, was oprecht verbaasd over het boek, wat bij de een leidde tot grote frustratie en bij de ander tot fascinatie. Dit is deels te wijten aan een verschil in leeservaring. We stonden nog even stil bij de passage waarin Edu door de Afroini ‘geroepen’ wordt. Hij heeft een slaappil ingenomen en zijn doors of perception staan helemaal open.  Alleen de lezers die al verder waren dan deel 1 konden deze scene plaatsen. Ook bespraken we kort de scene waarin hoofdpersoon Edu in bed een gedicht van Paul van Ostaijen beluistert (‘Ik zag Cecilia komen op een zomernacht..’). Deze passage riep veel vragen op. Ze konden niet zoveel met het gedicht en dat vonden een aantal leerlingen aardig frustrerend. Ervaren lezers laten zich minder snel uit het veld slaan door onbegrijpelijke zaken, een van de leerlingen die het boek in korte tijd uitlas, schreef:

Ik vond het een superleuk boek, maar wel lastig om te begrijpen.

Sommige leerlingen worstelden met het plaatsen van het boek:

Ik vond het boek te lang, ze praten zegmaar om het onderwerp heen.

Het verhaal is anders dan ik had verwacht, de zinnen en de omschrijving van het boek zijn niet heel science fiction met vergelijking tot andere boeken/films.

De rest van de klas was het met deze leerling eens dat het boek niet echt op andere boeken en films uit dit genre lijkt. Een aantal leerlingen had voor dit genre gekozen in een creatieve schrijfopdracht die vlak voor dit leesproject afgerond was. Hun verhalen zaten vol actie; een oorlog tussen de Russen en Amerikanen die deels in de ruimte uitgevochten word, ingewikkelde missies om grondstoffen te delven op Mars en ontmoetingen met buitenaardse wezens (zover zijn we nog niet met Torenhoog). Ik noteerde als opmerking van een andere leerling dat het boek een ‘raar onderwerp’ had.

Een van de leerlingen kwam echt uit de kast als sterke lezer tijdens deze les. Hij had allerlei vragen; hoe zou de aarde eruitzien als er geen wouden meer zijn? Waarom reizen ze naar Venus als ze toch alleen maar in de koepel blijven? Waarom haten ze de planeet? Waarom zijn ze zo bang voor de wouden? Hij was het eens met de ‘dit is geen typische science-fiction analyse’. Interessant genoeg zijn de vragen die hij stelt naar aanleiding van het verhaal nou juist typerend voor dit genre, dat ook wel speculatieve fictie wordt genoemd. Ik stelde hem en de rest van de klas gerust dat het juist de bedoeling is dat ze zich deze dingen afvragen. Je hoeft niet alles meteen te begrijpen.

We bespraken nog kort hun verwachtingen met betrekking tot het plot. Ze konden niet inschatten hoe het zich zou ontwikkelen. De verderlezers mochten niet te veel prijsgeven. Een leerling die het boek al uitgelezen had, zei dat hij het vooral een ‘willhedoit’ vond, maar dat kon hij in deze les nog niet uitleggen.

Een weeffout in onze sterren

In de parallelklas was het vooral het onderwerp van het boek dat veel losmaakte. Hoofdpersoon Hazel heeft kanker, maar dankzij een nieuw medicijn heeft ze nog een onduidelijk aantal maanden of jaren te leven. Dit onderwerp riep sterke reacties op:

Mevrouw ik ben begonnen met lezen en ik vind het echt heel erg zielig. Het maakt me heel dankbaar voor wat ik allemaal heb.

Ik word er verdrietig van omdat het me doet denken aan mensen die ik ken die kanker hebben gehad.

Ik vind het depressief.

Ik vind het echt zo’n k*tboek. Iedereen heeft kanker in die praatgroep en die ene jongen wordt ook nog blind.

Ik snap er niks van. Wie is nou de jongen en wie is het meisje. Ze hebben van die rare namen (Hazel en August).

Er waren verschillende vrij basale vragen, zoals de onduidelijkheid over de namen van de hoofdpersonen, die ik in de les op kon helderen. De veellezers in deze klas neigen meer naar fantasy en waren minder betrokken bij de discussie. Ik merk in vergelijking met de andere klas dat de ervaren lezers de discussie op gang brengen en de rest van de klas nieuwsgierig maken naar het boek.

Ik neem me voor om deze klas volgende week wat meer sturing te bieden, door naar specifieke passages te kijken. Een leuke ontdekking in deze les was dat een stuk of acht leerlingen allemaal het boek of de verfilming van Achtste groepers huilen niet kenden. Dit boek deed ze daaraan denken. Ik vind het altijd heel nuttig om inzicht te krijgen in het gedeelde referentiekader van een klas. Dit biedt aanknopingspunten om de discussie op gang te brengen.

Terwijl de ene klas vooral praat en redeneert vanuit het niveau van de persoonlijke beleving, veelal zonder onderbouwing (wat heel normaal is voor leerlingen van deze leeftijd), stelde de andere klas een scala aan vragen die betrekking hebben op de interpretatie en het narratieve begrip van de tekst en vergeleken ze het boek met andere boeken en films die ze kenden. Cornelissen (2016) onderscheidt vier niveaus van literaire competentie, achtereenvolgens beleving, interpretatie, oordeel en narratief begrip. Ze maakt ook onderscheid tussen drie niveaus van  argumentatie; 1: geen argumenten, 2: argumenten binnen de tekst en 3: argumenten buiten de tekst. De klas die Torenhoog leest was beter in staat de eigen mening te onderbouwen met argumenten uit de tekst, en met argumenten die de tekst overstijgen (de genrekwestie).

Al met al ben ik best tevreden over deze eerste boekgesprekken. Het was vrij chaotisch, door alle kleine vergaderingen binnen de hoofdvergadering in Teams, en in de ene klas kwam het gesprek meer op gang dan in de andere. Maar er zijn veel dingen die aanleiding bieden voor een volgend gesprek. Wayne Booth (geciteerd in Chambers (2012), p. 86) schrijft;

Het gaat er niet om dat we onze rugzak vullen met het beste dat ooit gedacht is of gezegd, we moeten ook vormen van overleg vinden die onze waardering breder, dieper of nauwkeuriger maakt… een overleg dat ergens toe leidt – verder dan het uitwisselen van subjectieve opvattingen, een manier om van elkaar te leren.

Een overleg dat ergens toe leidt, dat is wat ik voor ogen heb met deze lessen. En dat is soms even zoeken en bijsturen.

Lockdownlezen (i): boekgesprekken in de online les

Lockdownlezen
‘Zorg vooral dat je thuis blijft lezen, in een fictieboek naar keuze.’ Terwijl ik dit opschrijf in een e-mail aan mijn leerlingen realiseer ik me hoe vrijblijvend dit is. De leerlingen die al lezen zullen blijven lezen, de zwakke lezers haken af. Ik zie leesmotivatie als grote uitdaging van deze fase van online onderwijs. Geen leestijd in de les, geen boeken in de klas en voor een bezoek aan de mediatheek moeten ze naar school fietsen, tussen alle andere online lessen door.

We zijn inmiddels drie weken verder en twee weken aan de gang met een lockdownleesproject. Ik liet mijn tweedeklassers kiezen uit drie verschillende boeken, in verschillende genres. De opties: Torenhoog en mijlen breed, Een weeffout in onze sterren en Soldaten huilen niet. Twee van de drie titels waren als klassenset te leen in de schoolbibliotheek, maar natuurlijk koos een van de klassen voor een boek dat niet direct voorhanden was. De openbare bibliotheek bood een oplossing: Het e-book van Torenhoog en mijlen breed is online beschikbaar. Ik vroeg de ouders van de leerlingen of ze het boek aan wilden schaffen, indien mogelijk. Veel leerlingen kwamen zodoende aan een eigen exemplaar.

De eerste reacties waren erg positief. ‘Dus we gaan een boekenclub beginnen?’, vroeg een van de leerlingen, niet zonder enthousiasme. Zelfs mijn voorbereide praatje over hoe fantastisch Tonke Dragt is en hoe leuk het is om samen hetzelfde boek te lezen, bleek helemaal niet nodig. Een mooi begin.

De opzet
Van de drie lesuren Nederlands besteed ik een lesuur aan fictie. De leerlingen hebben elke week een leesdoel. We praten over de hoofdstukken die ze gelezen hebben. Ik probeer ze te motiveren om hun eigen vragen te formuleren, naar het concept van Aidan Chambers, de bekende kinderboekenauteur en expert op het gebied van leesdidactiek. Kenmerkend voor zijn methode is het gezamenlijk praten over boeken om zodoende tot een onderhandeling over de betekenis te komen. De leraar heeft geen sturende, maar een begeleidende rol. Chambers biedt een aantal vraagsuggesties die leerlingen motiveren om hun vragen, moeilijkheden en interpretaties te delen op een manier die niet aanstuurt op ‘de juiste lezing’ van een boek.

Boekgesprekken in de onderbouw
Onderbouwleerlingen aan het praten krijgen over boeken kan best wel een uitdaging zijn. Het docentontwikkelteam ‘Praten over literatuur’ biedt gelukkig een richtlijn voor boekgesprekken in de onderbouw. De auteurs suggereren om leerlingen eerst vertrouwd te maken met het praten over lezen. Chambers gaat uit van de eigen vragen die leerlingen hebben bij een tekst, maar het docentontwikkelteam geeft aan dat veel leerlingen in de onderbouw ervan bewust gemaakt moeten worden dat het stellen van vragen bij een tekst en het luisteren naar de vragen en interpretaties van medeleerlingen ‘een waardevolle en legitieme wijze is’ van het interpreteren van teksten. (Ik herken dit uit mijn eigen ervaring met het begeleiden van boekgesprekken in een normale, klassikale setting.)

Ze raden aan om leerlingen leesnotities te laten maken bij zaken die ze opvallend, leuk, of mooi en onduidelijk vinden. Het klassikale boekgesprek kan deze aantekeningen als vertrekpunt nemen. Daarnaast raden ze aan om de leerlingen te helpen het lezen te plannen door ze (tussen)doelen te geven en in de les te vragen naar de vorderingen. De laatste aanbeveling die ik me ter harte neem is het werken met een combinatie van vragen en stellingen, omdat stellingen meer uitnodigen tot gesprekken en voorkomen dat leerlingen gaan duiken.

De Chambersmethode en de suggesties voor boekgesprekken in de onderbouw bieden bruikbare aanknopingspunten voor het vormgeven van het fictieonderwijs tijdens de lockdown. Juist in deze periode van sociaal isolement kan het samen lezen en hierover praten bijdragen aan een gevoel van verbondenheid met de rest van de klas. De komende weken zal ik op dit blog verslag doen hoe het ons vergaat.

Online materiaal
*De website: pratenoverfictiefragmenten.nl is heel bruikbaar als je samen met je leerlingen wilt oefenen met het praten over lezen. Voor dit lockdownleesproject geef ik de voorkeur aan een volledig boek om ze langere tijd aan het lezen te houden.
*Bij de keuze voor een boek is het handig als het ook beschikbaar is via de online bibliotheek en op Passendlezen.nl.
*Je kunt je keuze ook baseren op het boekenclubaanbod op Litlab.nl, dan hoef je geen eigen vragen en stellingen te bedenken.
*De ‘stof tot nadenken’ en de opdrachten van verschillende niveaus op de website van de Jeugdbibliotheek zijn ook heel goed in te zetten in een klassikaal boekgesprek. De niveaus van de opdrachten, die gebaseerd zijn op de indeling van Theo Witte, komen overeen met de fasen van een boekgesprek bij Chambers.

Didactische uitgangspunten

De lesplannen die ik op Klassiekers in de klas deel zijn gebaseerd op onderstaande didactische uitgangspunten. Hoewel ik weet waar ik met mijn leerlingen naartoe wil, blijft het een zoektocht om deze uitgangspunten tot hun recht te laten komen in mijn lessen. Alle feedback is daarom welkom. Ik heb wel ervaren dat onderbouwleerlingen graag praten over boeken, nieuwsgierig zijn naar oude teksten en hun eigen vragen hebben naar aanleiding van de ‘vreemde’ teksten die we klassikaal lezen. Alle leerlingen kunnen wel een boek noemen dat ze met veel plezier gelezen hebben, zelfs de zwakke lezers. Vaak zijn dit kinderboeken. Als De Gorgels op twaalfjarige leeftijd nog steeds je lievelingsboek is, of als Boy 7 een ontdekking voor je was vanwege de wisselende perspectieven (beide echt gebeurd), is dat een mooi vertrekpunt om je volgende boek met zorg te kiezen, om te praten over het effect van die verschillende perspectieven op de lezer en om uit te leggen dat dit nou typisch een literair kenmerk is. De boeken die de leerlingen lezen vormen de ingang tot andere boeken. De literatuurlessen komen tot stand in dialoog met de klas.

  • De tekst is het uitgangspunt van de literatuurles.
  • We lezen een breed scala aan teksten uit de Nederlandse canon en de wereldliteratuur.
  • Lezen is een sociale activiteit (Chambers 2011): Klassikaal lezen en praten over leeservaringen zijn belangrijke pijlers van de lessen.
  • Cultuuronderzoek is belangrijker dan cultuuroverdracht. Er is aandacht voor wat literatuur is en waarom mensen elkaar verhalen vertellen, voor de verhalen die steeds opnieuw verteld worden en de basis vormen van onze culturele identiteit en de verhalen die de status quo bevragen en willen veranderen.
  • Ervaring in plaats van analyse. Leerlingen hoeven een canonieke tekst niet mooi te vinden of te begrijpen wat de auteur ermee bedoelde. Het kennismaken met een vreemde en onbegrijpelijke tekst en leren formuleren wat je er niet aan begrijpt is in deze fase van hun leesontwikkeling waardevoller dan de formele analyse.
  • Het lezen van een oude tekst is een belevenis op zich. We lezen historische teksten of tekstfragmenten in hun oorspronkelijke vorm. Leerlingen puzzelen zelf uit wat er staat en komen in aanraking met ouderwets taalgebruik. Leerlingen ervaren de grote afstand tussen de tekst en zijzelf (lees meer over het thematiseren van deze afstand bij Bax & Mantingh (2019).
  • Naar aanleiding van de teksten die we lezen komen verschillende dimensies aan bod: de historische context, intertekstuele verbanden, de ervaringshorizon van de lezer. De eigen vragen van leerlingen sturen de uitleg van de docent.
  • De canon wordt gepresenteerd als een doorlopend gesprek  waar de leerlingen als lezers zelf ook deel van uitmaken (Manon Uphof, Dag van het literatuuronderwijs 2020).
  • De werkvormen zijn inductief en speels. De leerlingen gaan actief met teksten aan de slag.
  • Leerlingen hebben aan het einde van de onderbouw een beginnend literair-historisch bewustzijn ontwikkeld. Ze herkennen literaire thema’s, ze herkennen genres, ze zijn een beetje wegwijs in het Nederlandse boekenlandschap en weten hoe ze een tekst die ver van ze afstaat kunnen benaderen. Ze hebben kennisgemaakt met begrippen als: de canon, poëzie, literatuur, klassiekers en intertekstualiteit. Bovenal weten ze dat er nog heel veel te lezen en te ontdekken valt en dat ze nog maar net begonnen zijn met lezen.

Waarom klassiekers in de klas?

In ons huidige literatuuronderwijs in de onderbouw is geen plaats voor historische letterkunde. Het is vooral gericht op teksten die aansluiten bij de belevingswereld van jongeren. Zelfs in het in de onderbouw gehanteerde begrip ‘fictie’ komt de erfgoeddimensie van literatuur geheel niet aan bod. Fictie wordt gedefinieerd als tegenovergestelde van non-fictie, als verzonnen in plaats van feitelijk. Los van het feit dat dit literatuurwetenschappelijk gezien een twijfelachtig onderscheid is, wordt er geen positieve invulling aan het begrip fictie gegeven. Je leert alleen wat het niet is. Wat is fictie dan wel? Wat heeft het lezen van fictieve teksten je te bieden?

Bovendien ontbreekt het aan aansprekende vakinhoudelijke teksten. Laat staan oudere teksten. Waarom zou je versimpelde teksten uit populairwetenschappelijke tijdschriften met je klas willen lezen (het standaardaanbod in lesmethodes), als je de hele Digitale bibliotheek voor de Nederlandse letteren tot je beschikking hebt? Concluderen we niet te snel, dat leerlingen bepaalde teksten niet aankunnen of niet interessant vinden? Is school niet juist de plek waar leerlingen in aanraking zouden moeten komen met een bredere horizon dan de eigen ervaring?

Dit blog is een werk in uitvoering. Ik beschrijf mijn ervaringen met het lezen van en praten over canonieke teksten in de klas. Daarnaast wil ik linken naar interessant lesmateriaal van andere docenten die literaire teksten behandelen in de onderbouw. Onder het kopje tijdlijn is een overzicht te vinden van het tot nu toe verzamelde lesmateriaal.