De vrouwen die Shakespeare verdedigden: reactie op de derde aflevering van Vondel was een vrouw

In de derde aflevering van de podcast Vondel was een vrouw (aanrader!) , staat de Nederlandse auteur Margaretha van der Werken (1734-1796) centraal. Ze schreef de eerste Nederlandse briefroman, die weinig eigentijdse lezers nog kennen, maar die in haar eigen tijd zeer populair was; De kleine Grandisson. (Klinkt als een leuk tekst om eens met de leerlingen mee aan de slag te gaan). Daarnaast vertaalde ze Shakespeares toneelstukken naar het Nederlands, waarbij ze niet schroomde om de brontekst naar eigen inzicht aan te passen.

Voor ons is dit een vorm van heiligschennis. Kom niet aan Shakespeare, je snijdt ook niet zomaar in een Rembrandt. ‘Shakespeare stond nog niet op een voetstuk,’ verklaart Feike Dietz, die te gast was in de podcast, deze praktijk. Het aanpassen en verbeteren van Shakespeare was een achttiende-eeuwse hobby. Er waren collecties van ‘The beauties of Shakespeare’ en zelfs een familie-editie, ‘The family Shakespeare,’ zonder vieze grapjes vanwege de kleine meelezers.

Misschien nog wel opmerkelijker is de vergeten geschiedenis van de vrouwelijke auteurs en critici die Shakespeare op een voetstuk gezet hebben. Ik schreef er acht jaar geleden mijn  masterscriptie over. Dit lijkt me een relevante context voor een podcast met een agenda: vergeten vrouwelijke auteurs uit de canon voor het voetlicht brengen. Het eerste literatuurwetenschappelijke essay over Shakespeare werd geschreven door een vrouw: Margareth Cavendish in 1664 (zie: Thompson & Roberts, 1997, p.3). Vrouwelijke critici waren oververtegenwoordigd onder de eerste verdedigers van Shakespeare. Volgens de auteurs van Women reading Shakespeare was dit geen toeval: vrouwen identificeerden zich met Shakespeare, die in de achttiende eeuw de reputatie had een ongeletterd genie te zijn. Men veronderstelde dat Shakespeare geen scholing in de klassieke talen genoten had. Zijn auteurschap ontsproot aan een natuurlijke gave en daarom was het discutabel of hij bewuste creatieve keuzes maakte of simpelweg noteerde wat zijn woeste verbeeldingskracht hem ingaf.

Vrouwen hadden destijds (over het algemeen) geen toegang tot klassieke scholing maar konden zich wel als critici profileren door te schrijven over literatuur in hun moedertaal. Terry Castle (2002) ontwaart een feministische onderstroom in de vrouwelijke verdediging van de Engelse bard. Ze analyseerde talloze door vrouwen geschreven pleidooien die de grootsheid van Shakespeares werken benadrukken, ondanks zijn gebrekkige scholing. Castle ziet hier een impliciete verdediging van hun eigen auteurschap in, zij waren zelf immers ook niet geschoold in Latijn en Grieks en de dramatische eenheden van Aristoteles. Desondanks konden ze zich profileren in het publieke debat als denkers en schrijvers, via de ingang die de Shakespearekritiek ze bood.

Shakespeare speelde zodoende een belangrijke rol in de emancipatie van vrouwelijke denkers als experts op het gebied van de literatuur in hun moedertaal, en vrouwelijke critici als Elizabeth Montagu droegen bij aan de conceptualisering van de canon als nationale aangelegenheid, waarbij kennis van de moedertaal een vereiste werd om een literair werk te kunnen (of mogen) beoordelen. Ondanks de grote aantallen vrouwelijke critici  die over Shakespeare schreven in de achttiende eeuw worden ze in hedendaagse compendiums van de literaire kritiek niet of nauwelijks genoemd…

Wat heeft dit met het literatuuronderwijs in de onderbouw te maken? Naar mijn mening: alles. Dit soort verhalen – over de canon, over de criteria waarmee we een literaire tekst beoordelen en hoe relatief die zijn, over nationalisme, over de manier waarop een minderheidsgroep zich een plek verwerft in het publieke debat – dit zijn allemaal relevante inzichten die bijdragen aan een  beginnend literair-historisch bewustzijn.

Bovendien zijn het goede verhalen. Vraag een scholier wie de grootse schrijver aller tijden is en ze zeggen gegarandeerd Shakespeare. Op de school waar ik werk leren bovenbouwleerlingen monologen uit Hamlet en Macbeth uit hun hoofd, Shakespeare is geen onbekende voor ze. Is het niet fascinerend om je te bedenken dat zelfs de prototypische literaire grootheid in de achttiende eeuw alleen in verbeterde versies of compendiums gelezen werd? Dat er verdedigers nodig waren om het grote publiek te overtuigen van Shakespeares talent? En dat die verdedigers vaak vrouwen waren?

Wat de Nederlandse canon betreft, schrijverscollectief Fixdit.nu breekt een lans voor meer diversiteit in de canon. Voordat de discussie over identiteitspolitiek weer losbarst, moeten we misschien eerst eens op zoek gaan naar al die auteurs die er altijd al waren, die hun stempel achtergelaten hebben op de canon zoals we die kennen, die nieuwe genres introduceerden in Nederland en die ervoor zorgden dat we Shakespeare nu nog steeds lezen.

Didactische uitgangspunten

De lesplannen die ik op Klassiekers in de klas deel zijn gebaseerd op onderstaande didactische uitgangspunten. Hoewel ik weet waar ik met mijn leerlingen naartoe wil, blijft het een zoektocht om deze uitgangspunten tot hun recht te laten komen in mijn lessen. Alle feedback is daarom welkom. Ik heb wel ervaren dat onderbouwleerlingen graag praten over boeken, nieuwsgierig zijn naar oude teksten en hun eigen vragen hebben naar aanleiding van de ‘vreemde’ teksten die we klassikaal lezen. Alle leerlingen kunnen wel een boek noemen dat ze met veel plezier gelezen hebben, zelfs de zwakke lezers. Vaak zijn dit kinderboeken. Als De Gorgels op twaalfjarige leeftijd nog steeds je lievelingsboek is, of als Boy 7 een ontdekking voor je was vanwege de wisselende perspectieven (beide echt gebeurd), is dat een mooi vertrekpunt om je volgende boek met zorg te kiezen, om te praten over het effect van die verschillende perspectieven op de lezer en om uit te leggen dat dit nou typisch een literair kenmerk is. De boeken die de leerlingen lezen vormen de ingang tot andere boeken. De literatuurlessen komen tot stand in dialoog met de klas.

  • De tekst is het uitgangspunt van de literatuurles.
  • We lezen een breed scala aan teksten uit de Nederlandse canon en de wereldliteratuur.
  • Lezen is een sociale activiteit (Chambers 2011): Klassikaal lezen en praten over leeservaringen zijn belangrijke pijlers van de lessen.
  • Cultuuronderzoek is belangrijker dan cultuuroverdracht. Er is aandacht voor wat literatuur is en waarom mensen elkaar verhalen vertellen, voor de verhalen die steeds opnieuw verteld worden en de basis vormen van onze culturele identiteit en de verhalen die de status quo bevragen en willen veranderen.
  • Ervaring in plaats van analyse. Leerlingen hoeven een canonieke tekst niet mooi te vinden of te begrijpen wat de auteur ermee bedoelde. Het kennismaken met een vreemde en onbegrijpelijke tekst en leren formuleren wat je er niet aan begrijpt is in deze fase van hun leesontwikkeling waardevoller dan de formele analyse.
  • Het lezen van een oude tekst is een belevenis op zich. We lezen historische teksten of tekstfragmenten in hun oorspronkelijke vorm. Leerlingen puzzelen zelf uit wat er staat en komen in aanraking met ouderwets taalgebruik. Leerlingen ervaren de grote afstand tussen de tekst en zijzelf (lees meer over het thematiseren van deze afstand bij Bax & Mantingh (2019).
  • Naar aanleiding van de teksten die we lezen komen verschillende dimensies aan bod: de historische context, intertekstuele verbanden, de ervaringshorizon van de lezer. De eigen vragen van leerlingen sturen de uitleg van de docent.
  • De canon wordt gepresenteerd als een doorlopend gesprek  waar de leerlingen als lezers zelf ook deel van uitmaken (Manon Uphof, Dag van het literatuuronderwijs 2020).
  • De werkvormen zijn inductief en speels. De leerlingen gaan actief met teksten aan de slag.
  • Leerlingen hebben aan het einde van de onderbouw een beginnend literair-historisch bewustzijn ontwikkeld. Ze herkennen literaire thema’s, ze herkennen genres, ze zijn een beetje wegwijs in het Nederlandse boekenlandschap en weten hoe ze een tekst die ver van ze afstaat kunnen benaderen. Ze hebben kennisgemaakt met begrippen als: de canon, poëzie, literatuur, klassiekers en intertekstualiteit. Bovenal weten ze dat er nog heel veel te lezen en te ontdekken valt en dat ze nog maar net begonnen zijn met lezen.