Didactische uitgangspunten

De lesplannen die ik op Klassiekers in de klas deel zijn gebaseerd op onderstaande didactische uitgangspunten. Hoewel ik weet waar ik met mijn leerlingen naartoe wil, blijft het een zoektocht om deze uitgangspunten tot hun recht te laten komen in mijn lessen. Alle feedback is daarom welkom. Ik heb wel ervaren dat onderbouwleerlingen graag praten over boeken, nieuwsgierig zijn naar oude teksten en hun eigen vragen hebben naar aanleiding van de ‘vreemde’ teksten die we klassikaal lezen. Alle leerlingen kunnen wel een boek noemen dat ze met veel plezier gelezen hebben, zelfs de zwakke lezers. Vaak zijn dit kinderboeken. Als De Gorgels op twaalfjarige leeftijd nog steeds je lievelingsboek is, of als Boy 7 een ontdekking voor je was vanwege de wisselende perspectieven (beide echt gebeurd), is dat een mooi vertrekpunt om je volgende boek met zorg te kiezen, om te praten over het effect van die verschillende perspectieven op de lezer en om uit te leggen dat dit nou typisch een literair kenmerk is. De boeken die de leerlingen lezen vormen de ingang tot andere boeken. De literatuurlessen komen tot stand in dialoog met de klas.

  • De tekst is het uitgangspunt van de literatuurles.
  • We lezen een breed scala aan teksten uit de Nederlandse canon en de wereldliteratuur.
  • Lezen is een sociale activiteit (Chambers 2011): Klassikaal lezen en praten over leeservaringen zijn belangrijke pijlers van de lessen.
  • Cultuuronderzoek is belangrijker dan cultuuroverdracht. Er is aandacht voor wat literatuur is en waarom mensen elkaar verhalen vertellen, voor de verhalen die steeds opnieuw verteld worden en de basis vormen van onze culturele identiteit en de verhalen die de status quo bevragen en willen veranderen.
  • Ervaring in plaats van analyse. Leerlingen hoeven een canonieke tekst niet mooi te vinden of te begrijpen wat de auteur ermee bedoelde. Het kennismaken met een vreemde en onbegrijpelijke tekst en leren formuleren wat je er niet aan begrijpt is in deze fase van hun leesontwikkeling waardevoller dan de formele analyse.
  • Het lezen van een oude tekst is een belevenis op zich. We lezen historische teksten of tekstfragmenten in hun oorspronkelijke vorm. Leerlingen puzzelen zelf uit wat er staat en komen in aanraking met ouderwets taalgebruik. Leerlingen ervaren de grote afstand tussen de tekst en zijzelf (lees meer over het thematiseren van deze afstand bij Bax & Mantingh (2019).
  • Naar aanleiding van de teksten die we lezen komen verschillende dimensies aan bod: de historische context, intertekstuele verbanden, de ervaringshorizon van de lezer. De eigen vragen van leerlingen sturen de uitleg van de docent.
  • De canon wordt gepresenteerd als een doorlopend gesprek  waar de leerlingen als lezers zelf ook deel van uitmaken (Manon Uphoff, Dag van het literatuuronderwijs 2020).
  • De werkvormen zijn inductief en speels. De leerlingen gaan actief met teksten aan de slag.
  • Leerlingen hebben aan het einde van de onderbouw een beginnend literair-historisch bewustzijn ontwikkeld. Ze herkennen literaire thema’s, ze herkennen genres, ze zijn een beetje wegwijs in het Nederlandse boekenlandschap en weten hoe ze een tekst die ver van ze afstaat kunnen benaderen. Ze hebben kennisgemaakt met begrippen als: de canon, poëzie, literatuur, klassiekers en intertekstualiteit. Bovenal weten ze dat er nog heel veel te lezen en te ontdekken valt en dat ze nog maar net begonnen zijn met lezen.
Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *